Home » Kennisbank » Het instellen van je camera op de M stand

Zet je instelwiel op M

Fotograferen op de M stand. Oftewel, helemaal zelf je camera instellen. Dat is in het begin zeker een uitdaging. Vaak pakken we de camera even bij bijzondere gelegenheden en dan is het makkelijk om de camera zelf te laten denken.  Ondanks dat de foto toch gelukt is, lijken de foto's toch wat saai. Van voor naar achter scherp waardoor ook het detail niet mooi naar voren komt, het beeld is rommelig.   Wil je wat meer uit je camera halen qua creativiteit dan is dit stukje voor jou geschreven. Het is best technisch.  Daarom adviseer ik, pak op de bank 's avonds je camera bij de hand en ga spelen met de knoppen diafragma, sluitertijd en ISO.  Met onderstaand stukje kun je een veel creatiever beeld maken. 

DIAFRAGMA::

In een lens zitten lamellen. Deze lamellen kun je stellen door ze verder open of dicht te zetten. Hierdoor komt er meer of minder licht door je lens op je sensor.
Het diafragma is het beste uit te leggen als het wordt vergeleken met het menselijk oog.
Hoe minder licht, des te groter de opening van de pupil, terwijl de pupil kleiner wordt bij veel licht. Als je vanuit een donkere ruimte direct het volle zonlicht in loopt, knipper je altijd eerst even met je ogen. Je pupillen zijn in het donker namelijk helemaal open en het duurt eventjes voordat ze zich helemaal aangepast hebben aan het felle licht en verkleind zijn. Ons oog regelt de hoeveelheid lichttoevoer dus met de pupil. Fotocamera's doen dit door middel van de diafragma - opening: een gaatje in de lens.
In de afbeelding hieronder zie je verschillende diafragma - openingen. Het meest linkse diafragma heeft een heel grote opening. Het diafragma wordt altijd aangeduid met een bepaald getal. Dat is de diafragmawaarde, aangeduid met een letter f. Het meest linkse diafragma in de afbeelding heeft de diafragmawaarde f2.8. Met een groot diafragma (lichtopening in het objectief, kan veel licht de sensor van de camera bereiken.

Let op, een groot diafragma wordt aangeduid met een klein getal. Dat lijkt onlogisch maar dat is het niet. Ik vertel tijdens de basiscursus altijd de uitleg in de vorm van een taart. Het zijn breuken, net als op de lagere school. 1 hele taart is een groot stuk, een grote opening. Een 16e van een taart is een heel klein stukje. Dus f/16 is een kleine opening. 


De grootte van de opening wordt dus aangeduid met het zogenaamde diafragma getal of: F-getal. Dit is afgeleid van de oppervlakte die de diafragma - opening heeft. Dit noemen we 'stops'. De reeks loopt logaritmisch op, en gaat van een grote opening (laag getal) naar een kleine opening (hoog getal). Veel camera's hebben ook nog tussenliggende waardes, zoals 3.5 en 7.1 . Onthoud dan dat deze getallen zoals 7,1 dicht bij de 8 liggen. 

Het diafragma zit in de lens. Je kunt dit bedienen via de camera.  Bij een groot gat komt er veel licht op je sensor, bij een klein gat komt er weinig licht op je sensor.

De diafragmaopening bepaalt niet alleen de hoeveelheid licht die naar de sensor wordt geleid, maar ook de scherptediepte. Dit is te vertalen in het dichtknijpen van je oog.  Als je een bril nodig hebt ga je vaak eerst je ogen wat dichtknijpen om het beter te kunnen zien. Dat kleine gaatje ( F/11) geeft een scherper beeld in de verte dan een groot geopend oog geeft. Dit zelfde gebeurt ook met je diafragma. Dus wil je de hele foto van voor naar achter scherp dat stel je in op F/8 of F/11 en als je een mooie bloem wilt fotograferen met een wazige achtergrond dan stel je in op F1.8 of F2.8 ( Het je niet kleiner dan F/3.5 dan kies je die).

Lansdchapsfoto met een diafragma F /8

Door een groot diafragma van F.2.8 komt het hamstertje mooi naar voren zonder storende achtergrond. 

SCHERPTEDIEPTE

Dit noemen we "scherptediepte". De  afstand waarbinnen onderdelen van de foto scherp worden weergegeven.
Hoe kleiner de opening, hoe hoger dus deze scherptediepte. Een diafragma - opening van f/2.8 heeft dus een veel kleinere scherptediepte dan een opening van bijvoorbeeld f/11. Dit is belangrijk voor de keuze van de foto.

 

SLUITERTIJD

Sluitertijd kun je zien als gordijnen. De sluiter staat open in tijd in secondes, je hebt bijvoorbeeld een instelling van 1 hele seconde. Tijdens deze periode is je camera bezig, de gordijnen staan open en je krijgt dus ook veel licht op je sensor. Alles wat je doet met je camera wordt vastgelegd, ook als jij beweegt. Maar ook alles wat je fotografeert wat in beweging is. Sluitertijd heeft dus alles te maken met beweging in de foto. Hoe langer de sluiter open blijft, hoe meer de onderdelen van een foto bewogen kunnen zijn.  In tegenstelling tot het diafragma dat zich in de lens bevindt, bevindt  de sluiter zich in de camerabody. Zetten we de verschillende tijden achter elkaar, dan hebben we de volgende sluitertijden reeks:

Let op:  De sluiter is dus een gordijn van lamellen dat voor de sensor hangt en zo ook het licht tegenhoudt. Bij het indrukken van de ontspanknop beweegt de sluiter zodanig dat deze op elk punt even lang open is en de sensor een bepaalde tijd belicht wordt. De tijdsduur waarmee het licht wordt binnengelaten is variabel. Dat kan heel kort zijn, bijvoorbeeld 1/1000e seconde, maar het kan ook enkele secondes of langer zijn. Die tijdsduur noemen we  sluitertijd. Het regelt dus niet alleen beweging maar ook de hoeveelheid licht die op je sensor komt. 

STOPS

Ook hier noemen we de overgangen van de sluitertijden weer 'stops'. De stop is dan ook de eenheid waarmee in de fotografie gewerkt wordt. Men spreekt over verschillen van bijvoorbeeld 1 of anderhalve stop.
Een stop verder open betekent van bijvoorbeeld F/8 naar F/5.6. Die F-aanduiding staat voor het diafragma. Een stop korter belichten betekent bijvoorbeeld van 1/60e seconde naar 1/125e seconde. De tijd wordt dan dus gehalveerd. Een stop betekent dus altijd een verdubbeling of een halvering, van tijd of van licht.
Als je op Zandvoort racewagens gaat fotograferen met een sluitertijd van 1/500ste is de kans groot dat de foto goed gelukt is. De auto is scherp en de achtergrond ook. Sterker nog, een auto met een enorme snelheid staat stil op je foto. Weinig sensationeel dus. De kunst is om in de foto te kunnen zien dat de racewagen ongelooflijk hard ging. Dit kun je bereiken door de achtergrond wel te laten bewegen en alleen de auto scherp in beeld te brengen. Als we de sluitertijd dan ietsje langer maken krijgen we dat de achtergrond bewogen is, waardoor de auto beweegt. Ook de wielen draaien rond de 1/160ste prachtig.

ISO

De film of sensor die in de camera zit moet goed worden belicht. Hiervoor moet je een combinatie maken van sluitertijd en diafragma. De combinatie die gebruikt moet worden hangt af van de lichtomstandigheden en wat we willen bereiken op de foto.


Er kunnen in dit kader twee fouten worden gemaakt:
1) teveel licht op de film of sensor (overbelichting) of
2) te weinig licht (onderbelichting).


Licht meten gebeurt met behulp van een belichtingsmeter. Deze zijn los te koop maar in je camera zit een prima lichtmeter ingebouwd. De belichtingsmeter, en dus de camera, moet eerst worden ingesteld op de juiste (film-)gevoeligheid oftewel de ISO-stand.
Hiervoor nemen we het meest gangbare getal en dat is ISO 100. We zetten de camera op f/5,6 en de sluitertijd op 1/125ste. Dit is een prima uitgangspunt om mee te beginnen. Nu gaan we een portretfoto maken. Die kan met weinig scherptediepte op F4 prima genomen worden, want f/4 zit één stop van f5,6. Dus we gaan het diafragma een stop dichter draaien. Maar dan moet de sluitertijd ook iets gaan doen want anders komt het nog niet goed. Omdat de stap (stop) van f/4 naar f/5.6 maar één is knijp je de lens een klein beetje dicht. Maar daardoor komt er wel minder licht op je foto dus we moeten de lens met de sluitertijd langer belichten. Ook een stop. We waren uitgegaan van 1/125ste. De lichtgevoeligheid wordt aangeduid met een ISO getal. 


Hoog gevoelig is bijvoorbeeld 6400 ISO, 

De ISO schaal verloopt als volgt:
... - 50 - 100 - 200 - 400 - 800 - 1600 - 3200 - ...


Ook hier is elke stap weer gelijk aan één stop en zijn er tussenliggende waardes mogelijk. Camera's herkennen vaak de ISO-waarde die een filmrolletje heeft en stellen deze automatisch in. Wil je een andere ISO-waarde, dan zal je dus je rolletje moeten vervangen. In digitale camera's kun je op elk gewenst moment de ISO-waarde veranderen.

BELICHTINGSDRIEHOEK

Een voorbeeld: waar een foto op een film of sensor bij ISO 100 goed belicht is met 1/60e seconde en f/5.6, is deze bij ISO 200 al goed belicht bij l/125e seconde. Dus als de sluitertijd en het diafragma niet toereikend zijn, spreken we de ISO erop aan om te voorkomen dat we een "bewogen" foto krijgen.
Kortom: een hogere ISO-stand of -film kan gebruikt worden om kortere sluitertijden te realiseren, of om een kleinere diafragma-opening te gebruiken (of beide natuurlijk).
ISO, sluitertijd en diafragma bij elkaar opgeteld noemen we de belichtigingsdriehoek.

Meer over:

Hyperfocaal focuspunt